Accepteer cookies om deze inhoud in te laden.

Een poos geleden, toen ik ‘s avonds online aan het winkelen was, op zoek naar een zomerjasje of een katoenen trui—bovenkleding om mijn lichaam te beschermen tegen de lentewind—klikte ik op de website van een populaire winkel op “nieuw binnen”. Onverwachts stond ik oog in oog met een voorbeeld van de complexe eigenaardigheid van ras. In een steriele ruimte, tegen een gebroken witte achtergrond, stond een zwarte man in een capuchontrui me toe te lachen met een hartelijkheid die je alleen in modecatalogi vindt.

En dat brengt ons naar het transcript van het 112-telefoongesprek met de moordenaar van Trayvon Martin. Centrale: “Heb je gezien wat hij aan had?” George Zimmerman: “Ja, een donkere capuchontrui, een soort grijze hoodie.” Alledaagse details kunnen plotseling van groot belang zijn. Ongetwijfeld hadden er na de moord en na de vrijspraak van de moordenaar sowieso demonstraties plaatsgevonden, ongeacht de kleding van het slachtoffer. De demonstranten—advocaten in de rechtszaal, betogers op straat—gebruikten de capuchontrui echter als embleem en droegen het kledingstuk als uiting van hun solidariteit. De capuchontrui, een symbool dat liever geen symbool was geweest, bevond zich plotseling in een vreemde positie: terwijl de basic capuchontrui het lichaam beschermt tegen de elementen, probeert de protest-hoodie de juiste mensen te beledigen. In het paranoïde idee van stoffige winkeliers moet de capuchontrui worden gevreesd omdat het individualiteit uitwist, terwijl de hoodie in het politieke leven identiteit juist dempt om ruimte te creëren voor saamhorigheid, vergelijkbaar met het uniform van verzetsgroepen.

Al die mogelijke, onderliggende betekenissen liggen besloten in dat ene kledingstuk dat hoe dan ook tot de verbeelding spreekt. De capuchontrui van de witte arbeidersklasse straalt nog steeds het ideaal uit van lef en doorzettingsvermogen, gepersonifieerd door Rocky Balboa. De yogaklasse koopt hun capuchontrui omdat het een belofte van behaaglijkheid bevat—wat verklaart waarom de hoodie in Saskatchewan een “bunny hug” wordt genoemd. De capuchontrui van de tech-sector, met Facebooks Mark Zuckerberg aan het roer, bouwt voort op de trotse jeugdtraditie van informaliteit en ongehoorzaamheid. Terwijl de capuchon ooit een vorm van verzet tegen professionaliteit behelsde, is het nu heel normaal om op de werkvloer een hoodie te dragen.

In januari ontstond er in de zakelijke pers een discussie over de relatie tussen het ritueel van kleding in de techindustrie, en de toegankelijkheid van het veld voor vrouwen. De discussie werd voortgezet in het Quartz-artikel “Het Subtiele Seksisme van Hoodies” en met tegenargumenten waarin onder meer werd gesteld dat “hoodies oude ideeën afwijzen en openstaan voor nieuwe ideeën.” Ik werd getroffen door de snelle bereidheid te accepteren dat de Silicon Valley-hoodie niet alleen een vereiste was in het veld, net als Gucci-loafers op Wall Street, maar tevens een kostuum van dominantie was. De visuele kracht van de capuchontrui versterkt zijn eigen positie als culturele marker, met maar één duwtje creëert het zijn eigen contexten.

Je hebt vast weleens een soap of tv-reclame gezien waarin een zwarte acteur in capuchontrui in nieuwe millennial-kleuren—mosterd, kastanjebruin— een computerprogrammeur speelt. Neem de huidige reclame van General Electric bijvoorbeeld: het kostuum wordt gebruikt als karakterisering, en op het gebied van massa-iconografie lijkt de vrolijke kleur van het katoen de kleur van de huid op de een of andere manier te overtreffen. De opkomst van vrijetijdskleding kan de onveranderlijke, rigide aard van sociale codes echter niet verhullen; ongeschreven sociaal-politieke regels rond klasse, geslacht en ras pakken – ook, of misschien wel juist – wanneer ze worden gekoppeld aan de hoodie, nog altijd meestal uit in het voordeel van mensen die zich in een machtspositie bevinden. Wanneer we het hebben over de capuchontrui, blijft de vraag: “Wie kan of mag het zonder problemen dragen?”

 

(Troy Patterson is schrijver voor The New York Times Magazine.)