Accepteer cookies om deze inhoud in te laden.

De tentoonstellingsruimte als neutrale witte doos

Een museum, galerie of tentoonstellingsruimte is nooit werkelijk objectief of onafhankelijk. Er wordt al decennia gesproken over de schijnneutraliteit van de white cube, van de zogenaamd objectieve, blanco tentoonstellingsruimte waarin objecten van hun oorspronkelijke context en sociaal-culturele inbedding worden ontdaan en voorzien worden van een nieuwe, bijna religieuze bijklank en universele legitimering. Zodra een tentoonstellingsmaker een kunstwerk of gebruiksvoorwerp een instelling binnenhaalt, verandert het van een object met een doorlopende eigen tijd- en locatiegebonden betekenis in een tijdloos en thuisloos item.

Van wie zijn culturele objecten wanneer je ze in het museum isoleert?

Voor een deel van de bezoekers creëert zo’n soort vacuüm misschien de ideale omstandigheden om een object op waarde te kunnen schatten; omdat het in een museum hangt zal het wel relevant en belangrijk zijn. Voor anderen haalt de tentoonstelling zo’n object, dat in hun eigen dagelijks geleefde ervaring een specifieke betekenis kent, mogelijk juist weg uit de situatie waar het thuishoort. Met name wanneer dat een verhuizing van de informele cultuur van de straat naar de gevestigde cultuur van een institutionele setting inhoudt, kan dit als problematisch worden beleefd.

Het zorgt in het geval van het presenteren van de hoodie in een grootstedelijk museum bijvoorbeeld voor frictie dat betalende bezoekers zich binnen de muren zouden kunnen vergapen aan deze trui als een designklassieker, terwijl stadsbewoners vanwege het zelfde kledingstuk maar een paar meter verderop worden geconfronteerd met verschillende vormen van geweld.

Een ander potentieel pijnpunt is de notie van toe-eigening. Het auteurschap van de smaakmakers die het ding onder andere zo mediageniek hebben gemaakt dreigt te verdwijnen zodra het onderwerp wordt gemaakt van de dominante cultuurvorm bij uitstek, de museale tentoonstelling. Van wie ís de hoodie op dat moment nog, waar komt het fenomeen vandaan, wie heeft er iets over te zeggen en wie kan het zich veroorloven om dit te presenteren als museumstuk?

On- en off-site-programmering

Het Nieuwe Instituut en de curator van The Hoodie realiseren zich dat ze zich met dit project begeven in een ingewikkeld krachtenspel. In nauwe samenwerking met Concrete Blossom, een in de lokale straatcultuur gewortelde ontwerppraktijk en cultureel platform, is er dan ook besloten om de hoodie zo min mogelijk te onttrekken aan zijn oorspronkelijke netwerk en te benadrukken dat de verhalen die deze vertelt zich iedere dag op allerlei plekken in de stad blijven ontwikkelen. De tentoonstelling en de andere programmering binnen het instituut proberen het onterechte traditionele onderscheid tussen high fashion en streetwear weliswaar te doorbreken - streetwear is inmiddels immers gewoon integraal onderdeel van (mode)ontwerp en verdient een zelfde manier van presenteren - maar het instituut is zich bewust van haar beperkingen hierin. Om die reden vormen deze activiteiten expliciet het off-site-programma van het project.

On-site betekent in de context van The Hoodie de plekken en plaatsen waar de thema’s rondom de hoodie iedere dag worden geleefd. Die locaties bevinden zich in de verschillende buurten van Rotterdam en precies daar waar grassroots initiatieven van cultuurmakers- en consumenten elkaar buiten de traditionele infrastructuur van musea, kunsthallen, galeries, projectruimtes weten te vinden. Het on-site-programma wordt door en met Concrete Blossom ontwikkeld in het kader van een langetermijnsamenwerking.

In de off-site-programma’s wordt ook uitgebreid stilgestaan bij de positie die Het Nieuwe Instituut zelf inneemt in het maatschappij-brede debat over dekolonisering, diversiteit en inclusiviteit. Er wordt ruimte gemaakt voor kritische (zelf)reflectie, dialoog en feedback op de totstandkoming van tentoonstellingsprojecten als The Hoodie en de manier waarop organisaties als dit instituut functioneren in de omgang met bestaande en nieuwe publieksgroepen en samenwerkingspartners.